Nieuwste editie van de Torn nieuwsbrief

 
 
 

Arbeidsrecht Actueel

Werknemer heeft geen recht op inzage van stukken betreffende overleg over een arbeidsgeschil

 

Datum: 15-11-2024
Uitgavejaar en uitgavenummer: 2024 / 570
VindplaatsHoge Raad 4 oktober 2024,ECLI:NL:HR:2024:1372

 

Uitspraak

Een werkneemster had op grond van de AVG van de werkgever inzage gevraagd van alle persoonsgegevens die de werkgever over de werknemer had verwerkt. De werkgever had echter terecht geweigerd om ook inzage te geven in stukken waarin de werkgever met zijn adviseur het arbeidsgeschil met de werkneemster besprak.

Bij een rechtbank werkt een gerechtsjurist die op enig moment arbeidsongeschikt raakt. Tussen de rechtbank als werkgever en de gerechtsjurist als werkneemster ontstaat een arbeidsconflict. De rechtbank vraagt over het arbeidsconflict een advies aan de Raad voor de rechtspraak en de Raad voor de rechtspraak adviseert de rechtbank daarover. Na mediation wordt de arbeidsovereenkomst beëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst.
Tijdens het onderhandelingsproces vraagt de werkneemster om inzage in haar persoonsgegevens. De rechtbank verstrekt de werkneemster dan inzage in alle persoonsgegevens waarover de rechtbank beschikt, met uitzondering van de adviesaanvraag van de rechtbank en het advies van de Raad voor de rechtspraak.

De werkneemster maakt dan gebruik van haar recht om bij de rechtbank een verzoekschrift in te dienen tot het verstrekken van inzage in ook deze stukken. De behandeling van dat verzoekschrift wordt verwezen naar een andere rechtbank dan die waar de werkneemster werkte. Het verzoek wordt door die rechtbank echter afgewezen.
Als de werkneemster hoger beroep instelt, stelt het gerechtshof voorop dat de Algemene verordening gegevensbescherming van de Europese Unie (AVG) aan iedere persoon het recht geeft om van degene die verantwoordelijk is voor de verwerking van zijn persoonsgegevens te verlangen dat aan hem inzage in die persoonsgegevens wordt verstrekt. De adviesaanvraag en het advies zijn volgens het hof persoonsgegevens in de zin van de AVG.

Desondanks is het gerechtshof van mening dat de werkneemster geen recht heeft op inzage van de adviesaanvraag en het advies. Op grond van de AVG en de wet waarmee onderdelen van de AVG in Nederland zijn uitgewerkt, kan het recht op inzage van persoonsgegevens worden beperkt als dat noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Het kan daarbij volgens het gerechtshof ook gaan om rechten en vrijheden van degene die de persoonsgegevens verwerkt. Omdat het gaat om vertrouwelijke stukken die inzage geven in de onderhandelingspositie van de rechtbank in het arbeidsconflict met de werkneemster heeft de rechtbank volgens het gerechtshof op grond van het recht op een eerlijk proces (dat beschermd wordt door het Europese verdrag voor de rechten van de mens) het recht om de inzage te weigeren. Volgens het hof heeft de rechtbank een zwaarwegend belang om in vrijheid en beslotenheid een standpunt in het arbeidsconflict te bepalen. Daarvoor is het volgens het hof noodzakelijk dat de rechtbank en de Raad voor de rechtspraak zich vrij voelen om met elkaar in beslotenheid te overleggen over het arbeidsconflict. Inzage in de persoonsgegevens doet onevenredige afbreuk aan het recht op deze ongestoorde gedachtewisseling. Het gerechtshof wijst erop dat de rechtbank ook niet het recht heeft om inzage te krijgen in de manier waarop de werkneemster tot haar standpunten komt. De weigering om inzage te verlenen is daarom evenredig.
Ook nadat het arbeidsconflict is opgelost kan de inzage worden geweigerd omdat het ook afbreuk doet aan de ongestoorde gedachtewisseling als de rechtbank en de Raad voor de rechtspraak er vooraf al rekening mee moeten houden dat achteraf inzage in de adviesaanvraag en het advies moet worden gegeven. Het gerechtshof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank.

De werkneemster laat het er niet bij zitten en stelt cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Die verwerpt echter het cassatieberoep. De Hoge Raad wijst er daarbij op dat in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het recht om zich te laten adviseren ter bepaling van een standpunt in een geschil is gewaarborgd.


Commentaar

Het inzagerecht van de AVG kan in een arbeidsconflict goed van pas komen, omdat de werkgever gehouden is een kopie te verstrekken van alle persoonsgegevens die de werkgever over de werknemer heeft verwerkt. Daarmee kan de werknemer stukken verkrijgen die kunnen helpen bij het instellen van een rechtsvordering tegen de werkgever of bij het verdedigen tegen een rechtsvordering van de werkgever. In de praktijk wordt van dit recht desondanks maar zelden gebruik gemaakt.

De beschikking van de Hoge Raad laat zien dat het inzagerecht niet zover gaat dat de werknemer ook inzage kan krijgen in de correspondentie tussen de werkgever en zijn advocaat of andere rechtshulpverlener.

 

 

Geen ontbinding van arbeidsovereenkomst ondanks niet meewerken aan re-integratie

 

Datum: 09-11-2024
Uitgavejaar en uitgavenummer: 2024 / 569
VindplaatsKantonrechter Breda 16 oktober 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:7016

 

Uitspraak

De arbeidsovereenkomst van een arbeidsongeschikte werknemer die niet meewerkte aan zijn re-integratie, kon niet door de kantonrechter worden ontbonden omdat het niet meewerken een gevolg was van zijn ziekte.

Bij een bedrijf dat bouwmaterialen verkoopt werkt sinds 2007 een werknemer die zich in juli 2023 ziek meldt wegens klachten aan zijn hand. In 2019 en 2020 was de werknemer al eens langdurig arbeidsongeschikt geweest wegens psychische klachten. Op 17 april 2024 verschijnt de werknemer niet op het spreekuur van de bedrijfsarts. De werknemer is ook niet bereikbaar. Daarvoor krijgt hij een schriftelijke waarschuwing. De werknemer wordt daarbij gewaarschuwd dat de betaling van het loon stop zal worden gezet als hij geen contact met de werkgever opneemt. Als de werknemer eind april 2024 telefonisch contact met de werkgever opneemt, vertelt hij een warrig verhaal en slaat hij een agressieve toon aan.

Op 7 mei 2024 verschijnt de werknemer opnieuw niet op het spreekuur van de bedrijfsarts. Hij is ook opnieuw niet bereikbaar. De dag erna verschijnt de werknemer echter onaangekondigd bij de arbodienst, waar hij boos naar buiten gestormd is en met de deuren heeft geslagen toen bleek dat de casemanager niet aanwezig was. De werknemer krijgt dan opnieuw een schriftelijke waarschuwing. De werkgever deelt mede dat het loon van de werknemer met ingang van 14 mei 2024 wordt opgeschort, totdat de werknemer weer bereikbaar is en bij de bedrijfsarts is geweest. Op 21 mei 2024 verschijnt de werknemer niet op een afspraak met zijn werkgever op 28 mei 2024 niet op het spreekuur van de bedrijfsarts. Ook is de werknemer niet bereikbaar. Dat komt hem op een derde officiële waarschuwing te staan.


Op 10 juni 2024 neemt de werknemer contact op met de werkgever over het uitblijven van de betaling van zijn salaris. Op 11 juni 2024 is de werknemer opnieuw niet telefonisch bereikbaar voor de casemanager van de arbodienst. Daarop krijgt de werknemer een vierde en laatste officiële waarschuwing, waarbij hem wordt medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden als hij op 21 juni 2024 niet op het spreekuur van de bedrijfsarts verschijnt. Vervolgens verschijnt de werknemer niet op dat spreekuur.
De werkgever vraagt vervolgens een deskundigenoordeel aan bij het UWV over de vraag of de werknemer aan zijn re-integratieverplichtingen voldoet. Het UWV kan echter geen deskundigenoordeel afgeven, omdat de werknemer na daartoe te zijn opgeroepen niet verschijnt op het spreekuur van de arts van het UWV. Ook op een uitnodiging om op 17 juli 2024 op het kantoor van de werkgever de eerstejaars evaluatie te komen ondertekenen, verschijnt de werknemer niet. De werkgever verzoekt dan de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.
Tijdens de zitting van de kantonrechter verschijnt de werknemer zonder advocaat. Hij voert aan dat hij vanwege veiligheidsredenen niet bij de bedrijfsarts kon verschijnen. Zijn telefoon zou meerdere keren gehackt zijn en hij zou inmiddels geen telefoon meer hebben. Er zou iets tegen hem gedaan zijn, waarvan bewijs had, maar waar hij vanwege veiligheidsredenen niet over kon praten. Een röntgenscan/scan van zijn hele lichaam zou duidelijk maken waarom hij niet bij de afspraken was verschenen. Omdat de werknemer aangeeft dat hij een advocaat heeft, dat hij de zaak met die advocaat wil bespreken en dat hij bij een nieuwe zitting met zijn advocaat zal verschijnen, besluit de kantonrechter een nieuwe zittingsdatum te bepalen voor het behandelen van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dan verschijnt de werknemer echter niet. De werkgever had verzocht om de tweede zitting niet te laten doorgaan omdat was vernomen dat de werknemer op 9 september 2024 gedwongen was opgenomen in een psychiatrische inrichting. De kantonrechter had echter bepaald dat de zitting toch door moest gaan.
De kantonrechter komt vervolgens tot de conclusie dat de werknemer zijn re-integratieverplichtingen niet is nagekomen. Toch ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst niet, omdat het opzegverbod tijdens ziekte daaraan in de weg zou staan. Dit opzegverbod is niet van toepassing indien de werknemer zonder deugdelijke grond zijn re-integratieverplichtingen niet nakomt en de werkgever de werknemer schriftelijk heeft aangemaand om dat wel te doen en de loonbetaling vervolgens stop heeft gezet. Die uitzondering is volgens de kantonrechter echter niet van toepassing. De kantonrechter is namelijk van mening dat de werknemer een deugdelijke grond had om zijn re-integratieverplichtingen niet na te komen.

Dat leidt de kantonrechter of uit de volgende omstandigheden:


• De werknemer had in 2019/2020 psychische problemen.

• De werknemer is sinds juli 2023 arbeidsongeschikt en in april 2024 komt er plotseling verandering in de nakoming van de re-integratieverplichtingen.

• De werkgever zelf had het vermoeden dat psychische problemen een rol speelden bij het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen.

• Het gedrag op de zitting en de verplichte opname doen ook vermoeden dat sprake is van psychische problematiek.
Daarmee is volgens de kantonrechter voldoende aannemelijk dat het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen geheel of gedeeltelijk is veroorzaakt door de ziekte van de werknemer.


Commentaar

In deze zaak is de werknemer zijn re-integratieverplichtingen niet nagekomen, heeft de werkgever keurig alle stappen gezet die hij op grond daarvan moest zetten, waaronder het indienen van een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, en toch wordt de arbeidsovereenkomst niet ontbonden. De kantonrechter gaat er vanuit dat het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen geheel of gedeeltelijk te wijten is aan de ziekte van de werknemer. Als dat het geval is, is de genomen beslissing natuurlijk juist. Voor de werkgever is echter wel onbevredigend dat dit niet met zekerheid kon worden vastgesteld. Als de werknemer in de procedure was verschenen, zou de kantonrechter hebben kunnen aandringen op het overleggen van een verklaring van een behandelaar, die meer duidelijkheid zou hebben kunnen verschaffen. Door het niet verschijnen van de werknemer op de zitting kon de kantonrechter weinig anders doen dan vaststellen wat aannemelijk was op basis van de bekende feiten.

 

De arbeidsovereenkomst is dan wel niet ontbonden, maar de opschorting van de loonbetaling is daarmee nog niet van tafel. De werknemer heeft immers geen vordering tot betaling van het loon ingesteld. Als de werkgever zeker wil weten dat het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen het gevolg is van de ziekte van de werknemer, zou hij vast kunnen houden aan de opschorting van de loonbetaling. De werknemer zou dan gedwongen zijn om een vordering in te stellen. Bij die gelegenheid kan dan alsnog van de werknemer worden verlangd om volstrekte duidelijkheid te verschaffen over de vraag of het niet nakomen van de re-integratieverplichtingen al dan niet het gevolg is van de ziekte van de werknemer. Het is echter zeer de vraag of dat tot voor de werkgever tot een betere uitkomst zal leiden.

 

 

Drie maal op voorhand aanzeggen dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet wordt verlengd werkt niet

 

Datum: 02-11-2024
Uitgavejaar en uitgavenummer: 2024 / 568
VindplaatsKantonrechter Rotterdam 14 oktober 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:10333

 

Uitspraak

Een werkgever kon niet rechtsgeldig op voorhand in de arbeidsovereenkomst aanzeggen dat de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de overeengekomen duur niet zou worden verlengd nadat hij dat twee maal eerder zo had gedaan, waarna de arbeidsovereenkomst twee maal toch werd verlengd.

Een attractiepark was met een werknemer drie aaneengesloten arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aangegaan. In elk van die arbeidsovereenkomsten was een bepaling opgenomen waarin de werknemer door de werkgever werd geïnformeerd dat de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de overeengekomen duur niet zou worden voortgezet. Desondanks was de arbeidsovereenkomst eerder twee keer wel voortgezet. Bij de derde arbeidsovereenkomst was dat niet het geval geweest. Deze arbeidsovereenkomst was van rechtswege geëindigd en vervolgens niet voortgezet.

Bij de kantonrechter vordert de werknemer een vergoeding ter grootte van een maandsalaris vanwege het niet tijdig (dat wil zeggen: een maand tevoren) schriftelijk aanzeggen dat de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de overeengekomen duur niet zou worden voortgezet. De werkgever stelt dat deze wettelijke aanzegvergoeding niet verschuldigd is omdat de werknemer al in de arbeidsovereenkomst schriftelijk was geïnformeerd over het feit dat de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de overeengekomen duur niet zou worden voortgezet. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat op die wijze aan de wettelijke aanzegplicht kan worden voldaan.
De kantonrechter erkent dat laatste, maar is van mening dat de werkgever desondanks niet aan de aanzegplicht heeft voldaan. De bedoeling van de wettelijke verplichting om uiterlijk een maand voor het eindigen van de arbeidsovereenkomst schriftelijk aan te zeggen of de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de overeengekomen duur zal worden voortgezet, en zo ja onder welke voorwaarden, is dat de werknemer tijdig weet of hij ander werk moet gaan zoeken of niet. Doordat de werkgever de arbeidsovereenkomst eerder twee keer toch heeft verlengd nadat hij de werknemer in de arbeidsovereenkomst op voorhand had medegedeeld dat die niet zou worden verlengd, had de werknemer die duidelijkheid niet. De kantonrechter doet aan het einde van de zitting meteen mondeling uitspraak: de werkgever moet de aanzegvergoeding betalen.


Commentaar

Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer van de Wet werk en zekerheid (waarbij de aanzegverplichting in de wet is ingevoerd) heeft Minister Asscher destijds uitdrukkelijk aangegeven dat het mogelijk is om in de arbeidsovereenkomst direct al aan te zeggen dat de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de overeengekomen duur niet zou worden voortgezet. Volgens de Minister weet de werknemer dan immers zeer tijdig dat hij zich na afloop van de arbeidsovereenkomst weer op de arbeidsmarkt moet oriënteren. De Minister betwijfelde daarbij of werkgevers daartoe vaak zouden overgaan omdat zij daarmee ook werknemers zouden verliezen over wie zij tevreden zijn terwijl een nieuwe werknemer moet worden aangetrokken als de desbetreffende werkzaamheden niet ook komen te vervallen.

Wij hebben er destijds voor gewaarschuwd dat de mogelijkheid van aanzegging op voorhand in de arbeidsovereenkomst niet moet worden gebruikt om vervolgens aan het einde van de arbeidsovereenkomst alsnog een afweging te maken of de arbeidsovereenkomst wel of niet zal worden verlengd zonder daarover tijdig een (nieuwe) schriftelijke aanzegging te doen, aangezien het toch verlengen van de arbeidsovereenkomst afbreuk doet aan de zeggingskracht van een volgende aanzegging op voorhand in een volgende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

 

Veelzeggend is dat de kantonrechter in de uitspraak de fabel van Aesopus aanhaalt over de jongen die “wolf” riep. In de woorden van de kantonrechter: “Nadat de jongen, die op de kudde met schapen moest letten, driemaal voor niets alarm had geslagen door “wolf” te roepen, kwam er de vierde keer niemand meer op zijn alarm af en zag de vader in de avond alleen nog een wolf met een dikke buik en de strooien hoed van zijn zoon, die uit de bek van de wolf stak.”